Standpunten

MKB

De SGP maakt zich sterk voor de positie van het Midden- en Kleinbedrijf. Het MKB is de motor van de Nederlandse bedrijvigheid en werkgelegenheid, maar moet het in de aandacht regelmatig afleggen tegen de grote bedrijven.

Concreet:

  • Grote bedrijven laten kleine leveranciers regelmatig veel langer op hun geld wachten dan wettelijk afgesproken is. Die leveranciers durven niet aan de bel te trekken omdat ze bang zijn om hun klant te verliezen. Als de wettelijke boeterente niet werkt, moet de mededingingsautoriteit in actie komen. Overheden moeten zeker op tijd betalen en zich tenminste aan de wettelijke betalingstermijn houden.
  • Franchisenemers moeten het regelmatig afleggen tegen franchisegevers. Zij verdienen een betere bescherming.
  • Winkeliers hebben recht op een vrije zondag. Openstelling van winkels op zondag wordt daarom tegengegaan.
  • De overheid moet al het mogelijke doen om de regeldruk en administratieve lastendruk omlaag te brengen. Bij het vormgeven van nieuwe regelgeving moet dit aspect zwaar wegen. Ook bestaande regelgeving moet op dit punt regelmatig tegen het licht gehouden worden. Zo vinden wij het nodig na te gaan welke Arboregels echt noodzakelijk zijn, en welke geschrapt kunnen worden. De kleinere bedrijven verdienen speciale aandacht, omdat de papieren rompslomp bij deze bedrijven relatief grote gevolgen heeft.
  • Het Ondernemingsdossier moet verder uitgerold worden. Zo hoeven ondernemers voor de verschillende overheidsinstanties niet elke keer weer dezelfde gegevens aan te leveren.
  • De nuttige en nodige regeling Veiligheid Kleine
    Bedrijven moet blijven.
  • Om de prikkel tot ondernemerschap te vergroten en de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven te verbeteren, moet de vennootschapsbelasting verlaagd worden.
  • Voor innovatieve starters en bedrijven die innovaties willen ontwikkelen en op de markt willen brengen is het vaak lastig om financiering te vinden. Daarom is extra geld voor het Innovatiefonds Mkb+ nodig en moet er een nieuwe regeling voor ‘durfkapitaal’ komen. Een deel van het budget voor de topsectoren en de WBSO (Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk) kan hiervoor benut worden.
  • Voor de afgeschafte regeling Innovatieprestatiecontracten moet een alternatief komen. Kleine bedrijven zonder R&D-afdeling moeten gestimuleerd worden om samen te werken.
  • De opstart van bedrijven die gelieerd zijn aan universiteiten, met name door afgestudeerden, moet gestimuleerd worden.
  • De voorgestelde betaling van de WW door de werkgever moet teruggedraaid worden. Loondoorbetaling bij ziekte dient stevig ingeperkt te worden.
  • Barrières voor het inzetten van een stagiair en/of het aannemen van een eerste werknemer moeten worden geslecht.
  • Nieuwe vormen van kredietverstrekking voor bedrijven, zoals kredietunies en crowdfunding, verdienen steun.
  • Bij aanbestedingen door de overheid worden te vaak onnodige eisen gesteld. Ook worden te vaak opdrachten geclusterd. Kleine(re) bedrijven missen daardoor vaak de boot. Dat kan en moet anders.
  • Ondernemersfaciliteiten blijven onverkort beschikbaar voor startende ondernemers. Na een periode van vijf jaar worden deze meer in lijn gebracht met de belastingdruk voor werknemers, rekening houdend met de extra risico’s van ondernemers.
  • Ondernemers in (tijdelijke) moeilijkheden moeten de keus hebben om te kiezen voor een voorwaartse of een achterwaartse verliesverrekening. Dit is in het bijzonder belangrijk voor de landbouwsector.


Zie ook Ondernemerschap