17 maart 2026

Maak van kinderen geen schuurpaal

Vandaag debatteerde Peter Schalk in de Eerste Kamer over de Wet drempelverlaging omgang grootouders. Dit voorstel maakt het makkelijker voor grootouders om vaker hun kleinkinderen te kunnen zien. Dit is vooral van belang als er verstoorde verhoudingen zijn tussen ouders en grootouders. Hoewel we het doel onderschrijven, schiet deze wet dit doel volledig voorbij door de drempel voor een omgang volledig weg te nemen. Hieronder leest u de bijdrage van Peter Schalk.

Mevrouw de Voorzitter, hier staat een opa van 14 kleinkinderen. Ik moet er niet aan denken dat er ooit een moment zou komen dat de omgang met één van mijn kleinkinderen onderdeel zou worden van een juridische strijd. Generaties horen immers normaal gesproken bij elkaar. In de Bijbel wordt regelmatig gewezen op je kinderen en je kindskinderen. Mooie term, die duiding geeft aan de warme band die er zou moeten zijn door de generaties heen.

Hoe is het mogelijk dat onze samenleving zo verworden is dat de normale familieverhoudingen moeten worden vastgelegd in wetgeving, met als kern het bewijsvermoeden van een nauwe persoonlijke betrekking.

Deze hele wet is een poging om grootouders meer kansen te bieden voor omgang met een kleinkind waarover de juridische ouders de zeggenschap hebben. Dat wijst in ieder geval op een spanningsvolle relatie tussen de ouders en de grootouders waarbij het op zijn minst schuurt in hun relatie, waarbij het kind de schuurpaal vormt. Over het belang van het kind gesproken!!

Want wat gebeurt er nu eigenlijk feitelijk met deze wet:

Het ontvankelijkheidscriterium van de nauwe betrekking wordt geschrapt, maar in artikel 1:377a lid 1 BW wordt een bewijsvermoeden van een nauwe persoonlijke betrekking opgenomen. Dat is vreemd, want: ‘Wie stelt moet bewijzen’ volgt uit artikel 150 van het wetboek van rechtsvordering. Maar de bewijslast wordt omgedraaid. Dit ondergraaft onze eigen juridische uitgangspunten omtrent de bewijsvoering. Daarom de vraag:

  • Raakt dit wetsvoorstel daarmee niet aan fundamentele rechtsbeginselen? Waar het normale principe immers is: ‘bewijs dat maar’, wordt het nieuwe principe: bewijs maar dat er geen bewijs is. Wat is de reactie van de minister daarop?

Mevrouw de Voorzitter, volgens de fractie van de SGP komen door deze wet spanningen binnen families op scherp te staan. Grootouders willen zich toegang tot het kind verschaffen. En het enige dat ouders kunnen doen is bewijs aanleveren van een slechte omgang tussen grootouders en kinderen, bijvoorbeeld door te bewijzen dat er sprake is geweest van vormen van mishandeling of van verkeerde gedragingen van grootouders. Dit zijn echter zeer moeilijke zaken om bewijs voor te verzamelen. Dat kan zelfs uitlopen op de situatie dat een minderjarig kleinkind voor de rechter tegenover de grootouders moet verklaren wat er is gebeurd als de omgang is gestopt.

  • Is dat in het belang van het kind, zo vraag ik aan de minister?
  • En is het wenselijk dat ouders op deze manier worden gedwongen om in een juridische procedure de vuile was van de grootouders buiten te hangen?

De wet is bedoeld om grootouders in staat te stellen om een omgang met hun kleinkind te hebben, terwijl dat nu niet kan of mag. Als die omgang er niet is, is het onlogisch om aan te nemen dat er wel een nauwe, persoonlijke betrekking is. Die ontstaat immers in de omgang. Het bewijsvermoeden lijkt dan ook ver van de praktijk af te staan.

  • Kan de minister duiden wat er nu eigenlijk bedoeld wordt, of welke praktijk hij voor zich ziet als er geen nauwe omgang is, maar wel een nauwe persoonlijke betrekking? Een persoonlijke betrekking ontstaat toch alleen maar door een nauwe omgang?

De drempel dat er sprake moet zijn van een “nauwe betrekking” is mede bedoeld om de belangen van het kind en de ouders te beschermen, bijvoorbeeld tegen al te bemoeizuchtige grootouders. Met het huidige wetsvoorstel wordt echter voor alle grootouders vanzelfsprekend aangenomen dat er sprake is van een nauwe betrekking tot het kind. Het verzoek om een omgangsregeling kan alleen worden afgewezen indien zwaarwegende belangen van het kind zich tegen de omgangsregeling verzetten. Concreet betekent dit dat alle grootouders via de rechter kunnen afdwingen dat ze een omgangsregeling met hun kleinkind krijgen, ook als dit qua omstandigheden niet normaal, niet wenselijk of niet praktisch is.

  • Wordt met het verlagen van de drempel voor de omgang door grootouders wellicht juist de beschermende muur die ouders rondom hun kinderen hebben afgebroken?

En tenslotte, nog een paar vervolgvragen, breder dan de directe omgang tussen grootouder en kind vanuit de bloedband:

  • Als je al een nauwe betrekking van belang acht, dan is het toch vreemd dat de bloedband van broers en zussen niet wordt meegenomen in deze wetgeving?

In de praktijk zijn er ook niet-biologische grootouders, maar juridische grootouders, bijvoorbeeld bij geadopteerde kinderen. Potentieel zijn er daarmee al acht grootouders in beeld.

Mijn fractie maakt zich dan ook zorgen over het meerouderschap, waarbij de hoeveelheid grootouders nog verder kan uitdijen, inclusief de spanningen die daar niet bijhoren.

  • Heeft deze wet ook consequenties voor meer-grootouderschap?

Het nieuwe kabinet wil stappen nemen rond draagmoederschap.

  • Kan dat ook nog consequenties hebben voor de positie van de ouders van de draagmoeder versus het kind dat wordt afgestaan?

Mevrouw de Voorzitter, resumerend is er sprake van een onmogelijke belangenafweging. Het aanhouden van de drempel niet geheel wenselijk, maar het volledig wegnemen van de drempel is helemaal niet wenselijk. Dit wetsvoorstel zorgt voor een drempelverlaging, waarbij de kinderen de dupe kunnen worden van de verstoorde verhoudingen tussen ouders en grootouders. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Ik ben benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris.